Rekenbegrippen basisschool

Alle belangrijke rekentermen van groep 6, 7 en 8 op een rij. Handig als naslagwerk voor ouders en leerlingen.

Getallen

Kommagetal

Een getal met een komma, zoals 3,5 of 12,75. Het deel achter de komma is kleiner dan 1.

Breuk

Een deel van een geheel, geschreven als twee getallen met een streep ertussen: bijv. 3/4 (drie vierde).

Teller

Het bovenste getal van een breuk. Bij 3/4 is de teller 3.

Noemer

Het onderste getal van een breuk. Bij 3/4 is de noemer 4. De noemer geeft aan in hoeveel stukken het geheel is verdeeld.

Procent

Een honderdste deel. 25% betekent 25 van de 100, oftewel een kwart.

Verhouding

De relatie tussen twee hoeveelheden, bijv. 3:1 (drie staat tot een).

Negatief getal

Een getal kleiner dan nul, geschreven met een minteken: -3, -10.

Bewerkingen

Optellen

Twee of meer getallen bij elkaar tellen. Het resultaat heet de som.

Aftrekken

Het ene getal van het andere afhalen. Het resultaat heet het verschil.

Vermenigvuldigen

Een getal een aantal keren bij zichzelf optellen. 4 x 3 = 12.

Delen

Een getal verdelen in gelijke delen. 12 : 3 = 4.

Staartdeling

Een methode om grote deelsommen stap voor stap uit te rekenen (ook: lange deling).

Afronden

Een getal versimpelen naar het dichtstbijzijnde hele getal, tiental of honderdtal.

Meetkunde

Omtrek

De totale lengte van de rand van een figuur. Bij een rechthoek: 2 x lengte + 2 x breedte.

Oppervlakte

De grootte van een vlak. Bij een rechthoek: lengte x breedte. Eenheid: cm2, m2.

Inhoud

Hoeveel er in een ruimtelijk figuur past. Bij een balk: lengte x breedte x hoogte. Eenheid: cm3, liter.

Symmetrie

Een figuur is symmetrisch als je het in twee gelijke helften kunt verdelen.

Hoek

De draaiing tussen twee lijnen die bij elkaar komen. Gemeten in graden.

Rechte hoek

Een hoek van precies 90 graden.

Schaal

De verhouding tussen een afbeelding en de werkelijkheid. Schaal 1:100 betekent: 1 cm op papier = 100 cm echt.

Meten en tijd

Kilometer (km)

1.000 meter.

Hectare

Een oppervlaktemaat: 10.000 m2 (een vierkant van 100 x 100 meter).

Liter

Een inhoudsmaat. 1 liter = 1.000 milliliter = 1 dm3.

Kilogram (kg)

Een gewichtsmaat. 1 kg = 1.000 gram.

Uur, minuut, seconde

Tijdseenheden. 1 uur = 60 minuten, 1 minuut = 60 seconden.

Verhaalsommen

Verhaalsom

Een som die als tekst is geschreven. Je moet zelf bedenken welke bewerking je nodig hebt.

Gegevens

De informatie (getallen, eenheden) die in de tekst van de som staan.

Gevraagd

Wat je moet uitrekenen - het antwoord dat de som vraagt.

Overtollige informatie

Gegevens in de tekst die je niet nodig hebt voor het antwoord.

Overig

Automatiseren

Sommen zo vaak oefenen dat je ze uit je hoofd kent, zonder na te denken (bijv. tafels).

Kruistabel

Een tabel met rijen en kolommen om verhoudingen of combinaties te berekenen.

Grafiek

Een visuele weergave van getallen, bijv. een staafdiagram of lijndiagram.

Gemiddelde

Alle waarden optellen en delen door het aantal. Bijv. gemiddelde van 4, 6, 8 = (4+6+8) : 3 = 6.

Kans

Hoe waarschijnlijk iets is. Bij een dobbelsteen: kans op 6 = 1 op 6.

Tip: wilt u dat uw kind deze begrippen leert door te oefenen? Bij SlimStap komen al deze onderwerpen terug in de oefenvragen. Probeer SlimStap →

Direct oefenen per groep

Wilt u uw kind laten oefenen met de stof uit dit artikel? Kies de groep: