Delen door 2, 5 en 10 oefenen
Leestijd: ongeveer 6 minuten · bijgewerkt 16 juli 2026
Delen wordt makkelijker wanneer een kind de relatie met halveren en de tafels ziet. Delen door 2, 5 en 10 zijn daarom ideale bouwstenen voor grotere deelsommen.
Delen door 2 is halveren
Bij delen door 2 verdeel je een hoeveelheid in twee gelijke delen. 86 ÷ 2 kan worden gesplitst in 80 ÷ 2 en 6 ÷ 2. Dat is 40 + 3 = 43.
Delen door 5 via de tafel van 5
Vraag: welk tafelantwoord geeft het deeltal? Bij 75 ÷ 5 denkt een kind: 5 × 15 = 75, dus 75 ÷ 5 = 15. Bij grotere getallen helpt splitsen: 135 ÷ 5 = 100 ÷ 5 + 35 ÷ 5 = 20 + 7 = 27.
Delen door 10
Bij hele getallen wordt de waarde tien keer kleiner: 340 ÷ 10 = 34. Leg dit uit met plaatswaarde in plaats van alleen de regel "haal een nul weg", want die regel werkt niet altijd goed bij kommagetallen.
Stappenplan voor een deelsom
- Kijk door welk getal je deelt.
- Kies halveren, een bekende tafel of splitsen.
- Reken de delen uit en tel ze samen.
- Controleer met vermenigvuldigen: uitkomst × deler = deeltal.
Oefenvoorbeelden
- 96 ÷ 2 = 48
- 145 ÷ 5 = 29
- 670 ÷ 10 = 67
- 250 ÷ 5 = 50
- 1.240 ÷ 10 = 124
Open ook de gerichte pagina voor delen door 2 en 5 in groep 6 of groep 7.
Veelgemaakte fouten
- Deler en deeltal verwisselen.
- Een rest negeren bij een som die niet precies uitkomt.
- Een truc toepassen zonder naar de plaatswaarde te kijken.
- Het antwoord niet terugrekenen met een keersom.
Van eenvoudige naar grotere deelsommen
Begin met tafelantwoorden, voeg daarna tientallen en honderdtallen toe en eindig met een verhaalsom. Voor uitgebreider delen en staartdelen leest u deelsommen oefenen en uitleg.
Direct oefenen per groep
Wilt u uw kind laten oefenen met de stof uit dit artikel? Kies de groep:
← Alle rekenartikelen